FAQ

Temperatuurschakelaars

Hoe werkt een weerstandsthermometer?

De elektrische weerstand van de sensor van een weerstandsthermometer verandert met de temperatuur. Omdat de weerstand van meetresistoren conform EN 60751 (2009-05) toeneemt bij stijgende temperatuur, noemen we ze PTC (Positive Temperature Coefficient). Pt100 of Pt1000 meetresistoren worden normaal gesproken gebruikt voor industriële toepassingen. De thermometers waar EN 60751 centraal staat zijn vastgelegd in DIN 43735.



Wat zijn 2-, 3- en 4-draads circuits?

Ze beschrijven het aantal draden waarmee de meetresistor (bijv. een Pt100) is aangesloten. Omdat met de eenvoudigste 2-draads aansluiting de draadweerstand het meetresultaat kan vervalsen, kan deze negatiefe invloed worden gecompenseerd in de 3- of 4-draads aansluiting, en de nauwkeurigheid van de meting worden verbeterd.

Wat betekent „negatieve temperatuurcoefficiënt-thermistor“?

Negatieve temperatuurcoefficiënt-thermistoren geleiden elektriciteit beter bij hogere temperaturen dan bij lagere temperaturen. Ze worden ook wel NTC-weerstanden (Negative Temperature Coefficient) genoemd. Over het algemeen wordt NTC gebruikt in de kunststof- en voedsel- en drankindustrie.

Wat betekent „positieve temperatuurcoefficiënt-thermistor“?

Positieve temperatuurcoëfficiënt-thermistoren geleiden elektriciteit slechter bij hogere temperaturen dan bij lagere temperaturen. Ze worden ook wel PTC-weerstanden (Positive Temperature Coefficient) genoemd. Over het algemeen wordt PTC gebruikt in meetpunten met een hoge temperatuur, bijv. in de chemische industrie.
  

Welk effect heeft een slechte isolatieweerstand?

In overeenstemming met DIN EN 60751 sectie 6.3.1 dient de isolatieweerstand tussen elk meetcircuit en de huls bij een minimum testvoltage van 100 V DC niet lager te zijn dan 100 MOhm. Mocht de isolatieweerstand te laag zijn, dan treedt een meetfout op die een te lage temperatuur weergeeft. In verhouding tot een weerstandsthermometer (met schuifkabel) leidt dit met een isolatieweerstand van 100 kOhm tot een displayfout tot 0,25 Ohm en bij 25 kOhm tot 1 Ohm. Op alle WIKA weerstandsthermometers wordt een isolatietest met 500 V DC en een isolatieweerstand van 1.000 MOhm uitgevoerd, d.w.z. we testen tot een factor 50 hoger dan standaard gespecificeerd.

Welke minimum insteeklengtes worden ruwweg aanbevolen voor meerdelige thermowells (van slangmateriaal) om de warmteverspreidingsfout te beperken?

Voor gasvormige media: 15 ... 20 x thermowell punt diameter
Voor vloeibare media: 5 ... 10 x thermowell punt diameter
Voor solide media: 3 ... 5 x thermowell punt diameter
(deze standaard waarden zijn slechts geldig voor statische media. De gleuf tussen de thermowell en het meetelement dient 0,5 mm te zijn)

Waarom is er sinds enige tijd een scheiding tussen de nauwkeurigheidsklassen voor "draadgebonden weerstand" en "filmweerstand" (Pt100 meetresistoren?

In het verleden werd er geen onderscheid gemaakt tussen de twee basistypes meetresistor en hun temperatuurlimieten. Uit de praktijk bleek echter dat filmresistoren (thin-film/chipset-resistoren) (in niet onbeduidende mate) afwijken van de eigenschappen. Dit gedrag werd al ondergebracht in DIN EN 60751:2009-5 door het scheiden van de temperatuurbereiken binnen de individuele nauwkeurigheidsklassen.

Waarom zouden Pt100 meetcircuits met verlaagde tolerantieklasse A of AA conform DIN EN 60751 ten minste in een 3- of 4-draads aansluiting gebruikt moeten worden?

De 2-draads aansluiting is niet toegestaan voor klassen A en AA conform DIN EN 60751 omdat de interne draadweerstand van de draden hier is toegevoegd aan de meetwaarde. Dit overschrijdt over het algemeen de voor de temperatuursensor gespecificeerde waarde. Een meting van de kabelweerstand bij kamertemperatuur en het afstellen ervan in de transmitter (bijvoorbeeld) is mogelijk, maar de temperatuurafhankelijke weerstand van de interne geleider van de kabel moet nog steeds als fout aan de aflezing worden toegevoegd. Conclusie: Een 2-draads circuit is niet geschikt voor nauwkeurige temperatuurmeting.